1. Alles wat mis kan gaan, zal misgaan. 2. Alles wat niet mis kan gaan, zal uiteindelijk toch misgaan. 3. Als iets fout kan lopen, gebeurt dat op het slechtst mogelijke moment. 4. Hoe eenvoudiger iets lijkt, hoe moeilijker het wordt. 5. Als je iets laat vallen, valt het altijd op de minst handige plek. 6. De rij waarin je staat, is altijd de langzaamste. 7. Zodra je van rij wisselt, gaat jouw oude rij sneller. 8. Dingen gaan pas kapot als je ze het hardst nodig hebt. 9. Als je te laat bent, is alles op tijd; als je op tijd bent, is alles te laat. 10. De kans dat iets fout gaat, neemt toe naarmate de gevolgen ernstiger zijn. 11. Hoe meer je je haast, hoe meer fouten je maakt. 12. Als je iets zoekt, vind je alles behalve datgene wat je nodig hebt. 13. Zodra je iets vervangt, vind je het origineel terug. 14. Als je denkt dat alles goed gaat, heb je iets over het hoofd gezien. 15. Problemen komen nooit alleen. 16. Apparaten werken perfect tot iemand toekijkt. 17. Zodra je iets uitlegt, werkt het niet meer. 18. Als iets meerdere manieren heeft om fout te gaan, gebeurt de ergste. 19. Hoe duurder iets is, hoe sneller het kapot gaat. 20. Als je iets zorgvuldig plant, loopt het anders. 21. Alles duurt langer dan je denkt. 22. Als je een deadline hebt, gaat alles mis vlak ervoor. 23. Hoe belangrijker een e-mail, hoe groter de kans op een typfout. 24. Als je geen back-up maakt, gaat je bestand verloren. 25. De printer werkt niet als je hem dringend nodig hebt. 26. Zodra je een probleem oplost, ontstaat er een nieuw probleem. 27. Dingen verdwijnen op het moment dat je ze nodig hebt. 28. Als je een paraplu meeneemt, regent het niet; laat je hem thuis, dan stort het. 29. Hoe meer voorbereiding, hoe onverwachter de uitkomst. 30. Als iets kan breken, breekt het. 31. Mensen onthouden fouten beter dan successen. 32. Als je iets vergeet, is het altijd iets belangrijks. 33. Hoe groter de haast, hoe kleiner de concentratie. 34. Dingen gebeuren nooit volgens plan. 35. Als je denkt dat het niet erger kan, kan het dat wel. 36. Hoe complexer iets is, hoe groter de kans dat het faalt. 37. Als je een handleiding nodig hebt, ontbreekt die. 38. Als je de handleiding hebt, is die onduidelijk. 39. De oplossing komt altijd nadat het probleem zichzelf heeft opgelost. 40. Als je iets niet controleert, gaat het mis. 41. Hoe meer opties je hebt, hoe moeilijker de keuze. 42. Als je iets uitstelt, wordt het moeilijker. 43. Als je iets snel doet, moet je het later opnieuw doen. 44. Als iets perfect lijkt, is er een verborgen fout. 45. De kans op regen is recht evenredig met je plannen. 46. Als je iets probeert te voorkomen, gebeurt het juist. 47. Hoe groter de verwachting, hoe groter de teleurstelling. 48. Als je iets uitleent, krijg je het beschadigd terug. 49. Als je iets leent, gaat het kapot. 50. Hoe meer je controle probeert te houden, hoe minder je hebt. 51. Als je iets opschrijft, raak je het papiertje kwijt. 52. Als je niets opschrijft, vergeet je het. 53. Hoe meer je oefent, hoe groter de kans op een onverwachte fout. 54. Als je denkt dat je alles hebt, mis je één ding. 55. Als je iets koopt, gaat het meteen in de aanbieding. 56. Hoe langer je wacht, hoe slechter het moment wordt. 57. Als iets werkt, wordt het vervangen. 58. Als iets niet werkt, blijft het bestaan. 59. Hoe meer mensen erbij betrokken zijn, hoe groter de chaos. 60. Als je iets repareert, gaat iets anders stuk. 61. Als je haast hebt, verlies je tijd. 62. Als je tijd hebt, gebeurt er niets. 63. Hoe meer regels, hoe meer uitzonderingen. 64. Als je denkt dat iets eenvoudig is, heb je het mis. 65. Als je iets begrijpt, verandert het. 66. Hoe beter je voorbereid bent, hoe onverwachter de fout. 67. Als iets belangrijk is, mislukt het. 68. Als iets onbelangrijk is, gaat het perfect. 69. Hoe meer je probeert, hoe meer het tegenzit. 70. Als je stopt met proberen, lukt het ineens. 71. Als je iets nodig hebt, is het nergens te vinden. 72. Als je het niet nodig hebt, kom je het overal tegen. 73. Hoe meer haast, hoe meer vertraging. 74. Als je iets geheim houdt, komt het uit. 75. Als je iets deelt, vergeet iedereen het. 76. Hoe meer verwachtingen, hoe groter de mislukking. 77. Als je denkt dat je geluk hebt, volgt pech. 78. Als je pech hebt, komt er meer pech. 79. Hoe meer controle, hoe minder resultaat. 80. Als je denkt dat je controle hebt, verlies je die. 81. Als je iets belangrijk vindt, gaat het fout. 82. Als je iets niet belangrijk vindt, lukt het. 83. Hoe meer je hoopt, hoe groter de teleurstelling. 84. Als je niets verwacht, gebeurt er iets onverwachts. 85. Hoe meer je analyseert, hoe minder je begrijpt. 86. Als je denkt dat je het snapt, verandert alles. 87. Hoe meer je organiseert, hoe groter de chaos. 88. Als je niets organiseert, gaat het vanzelf mis. 89. Hoe meer plannen, hoe minder uitvoering. 90. Als je uitvoert, klopt het plan niet. 91. Als je denkt dat je klaar bent, ben je iets vergeten. 92. Als je teruggaat om iets te halen, ben je nog later. 93. Hoe meer je controleert, hoe meer fouten je ziet. 94. Als je niets controleert, zie je de fouten niet. 95. Hoe meer je probeert perfect te zijn, hoe meer je faalt. 96. Als je imperfect bent, gaat het beter. 97. Hoe meer je denkt, hoe minder je doet. 98. Als je doet zonder te denken, gaat het mis. 99. Hoe meer zekerheid je zoekt, hoe minder je vindt. 100. Alles wat mis kan gaan… zal misgaan, precies wanneer je het niet verwacht.